Steeds meer mensen krijgen de diagnose autismespectrumstoornis (ASS). Zij komen in heel verschillende hulpverleningscontexten terecht, bij hulpverleners die niet allemaal even bekend zijn met autisme. Begeleiders worden uitgedaagd om hier op een goede manier mee om te gaan. Hoe kunnen ze dat doen?

Meer diagnoses

Sedert 2000 wordt de diagnose ASS meer gesteld bij mensen met een normale begaafdheid. Dat komt onder meer omdat de DSM IV een onderscheid maakte tussen het aspergersyndroom en andere autistische stoornissen.De DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) is internationaal het meest gebruikte classificatiesysteem voor psychiatrische aandoeningen.Mensen met een normale tot hoge begaafdheid kregen vanaf dan de diagnose aspergersyndroom.

‘Steeds meer diagnoses.’

Waar voordien enkel mensen met een verstandelijke beperking een diagnose autisme kregen, werd autisme nu ook (h)erkend bij mensen met een normale begaafdheid. Meer en meer diagnostische centra legden zich specifiek op autisme toe.

De nieuwe DSM, uitgebracht in mei vorig jaar, nam de diagnose aspergersyndroom niet meer op. In de plaats daarvan wordt er nu gesproken over ‘autismespectrumstoornissen’, waarbij het vroegere onderscheid tussen verschillende soorten autisme niet meer van belang is.

De kern van autisme

De kern van het anders zijn van mensen met autisme ligt in de manier van denken en waarnemen. Zowel de manier waarop informatie zintuiglijk wordt opgenomen, als de manier waarop prikkels worden verwerkt, verloopt anders.

Iemand die niet autistisch denkt ziet een geheel. Dan voegt hij er details aan toe, waarbij hij rekening houdt met de context. Iemand met autisme ziet eerst allemaal details. Vandaar dat men nogal eens spreekt over detaildenkers. Dan probeert hij daar een geheel van te maken, zonder rekening te houden met de context.

Als iemand informatie op een andere manier verwerkt, dan is het logisch dat hij ook ander, eventueel onverwacht gedrag zal stellen. Net dat anders denken en dat andere gedrag vormt voor hulpverleners een uitdaging. De courante gespreksvormen en verwachtingen kunnen immers niet gebruikt worden. Het is aan de hulpverlener om zich aan te passen aan de persoon met autisme. Andersom lukt het niet.

De klassieke visie op autisme

In onze opleidingen en vanuit diagnostisch oogpunt wordt er op een klassieke, medische manier naar beperkingen gekeken. We krijgen een opsomming van alles wat niet lukt en gaan op zoek naar oorzaken en oplossingen. De focus ligt op wat niet lukt.

Deze visie bewijst zijn nut als het gaat om zaken te begrijpen, om de dingen in het juiste referentiekader te zetten. Hulpverleners verzamelen informatie over het probleem. Op basis van de historiek en de symptomen wordt een behandelplan opgesteld dat de weg wijst naar een verbetering of een oplossing van het probleem.

‘Mensen met autisme botsen vaak met het medische model.’

Bij zo’n begeleiding botsen mensen met autisme vaak op de grenzen van het medische model. Aan de beperking an sich kan er immers niets veranderen.

Niet begrepen

Mensen met autisme vertellen vaak dat ze zich in een therapeutische context niet begrepen voelen. Ze worden benaderd door hulpverleners die met de beste bedoelingen vanuit hun niet-autistisch denkkader adviezen en oplossingen aanbieden. Interventies zijn soms helemaal niet afgestemd op wat mensen met autisme nodig hebben.

Denk bijvoorbeeld aan het invullen van vrije tijd. Mensen zonder autisme houden ervan om verschillende activiteiten te kunnen kiezen, om variatie in de vrije tijd te brengen.

Mensen met autisme zijn vaak perfect gelukkig met een voor ons eenzijdige invulling van die vrije tijd. Wie zijn wij om te oordelen dat dit niet voldoende of zelfs ongezond zou zijn?

Oplossingsgericht werken

Het kan ook anders, oplossingsgericht werken. Sedert de jaren tachtig van vorige eeuw zijn enkele therapeutische scholen op zoek naar wat werkt in therapie. Ze kwamen tot eenzelfde vaststelling: de oplossingsgerichte aanpak werkt beter dan de meer gebruikelijke probleemgerichte strategieën. Lefevere de Ten Hove, M. e.a. (2007), Survivalkit voor leerkrachten. Oplossingsgericht werken op school, Antwerpen, Garant.

‘De focus ligt op de gewenste situatie.’

De focus bij oplossingsgericht werken en denken ligt niet op het probleem, wel op de gewenste situatie in de toekomst. De sfeer van de gesprekken wordt positiever en meer hoopgevend. De persoon met autisme wordt uitgenodigd om te vertellen over vroegere successen en eigen competenties voor het ontwikkelen van oplossingsgericht handelen.

Vijf stellingen

Om hiermee concreet aan de slag te gaan, werden een aantal stellingen ontwikkeld de Schazer, S. (1985), Keys to solution in brief therapy, New York, W.W. Norton & Company.

De eerste stelling zegt: de klasse van de problemen behoort niet tot de klasse van de oplossingen. Het is niet noodzakelijk om de problemen te onderzoeken. We moeten veeleer de oplossingen die een cliënt zelf vond om met zijn problemen om te gaan, analyseren om bij een oplossingsgerichte strategie te komen.

‘De cliënt is de expert.’

Een tweede stelling luidt: de cliënt is de expert. De cliënt bepaalt zijn doel en de weg om dat doel te bereiken. We gaan uit van de veronderstelling dat de cliënt al beschikt over de vaardigheden om dat doel te bereiken. Is dat niet zo, dan is het aan de hulpverlener om die vaardigheden te helpen ontwikkelen. Hierbij betrekken we iedereen die mee wil helpen bij het zoeken naar oplossingen, zo komen we naar een oplossing binnen oplossingsgericht werken.

Controversieel

De derde stelling lijkt nogal controversieel: wat niet stuk is, moet je niet maken. Als de cliënt vindt dat er iets goed gaat, dan blijft de therapeut daarvan af. Ook al heeft die er een ander oordeel over.

Zo heeft bijvoorbeeld een kind met autisme dat gepest wordt, dat niet altijd door. Het kan dat hij vindt dat hij goede vrienden heeft en dat alles goed verloopt. Ouders zien dat dan weer wel.

In zo’n situatie komt het pestgedrag niet aan bod in een sessie met het kind, wel in een oudercontact. Wanneer het kind dat geen probleem had met het pestgedrag van anderen daarmee geconfronteerd wordt, krijgt hij er een probleem bij.

Dit wil niet zeggen dat we het probleem links laten liggen. We nemen het wel op met de ouders en de andere betrokken partijen.

Wat wel en niet werkt

Als iets werkt, doe meer van dat, is de vierde stelling. Het gebeurt vaak dat de cliënt, al dan niet samen met de therapeut, iets vindt dat beter werkt. Dikwijls is de gevonden oplossing iets onverwachts. Op zo’n moment ondervindt de cliënt het meest verandering. Dat valt alleen maar toe te juichen. De gevonden oplossing kan dan ook in andere contexten ingezet worden.

‘De eigen oplossing werkt vaak beter.’

En als iets niet werkt, doe iets anders. Als je als hulpverlener ondervindt dat je suggesties geen effect hebben, dan heeft het geen zin om telkens opnieuw hetzelfde voor te stellen of te doen. Het is veel nuttiger om iets helemaal anders te proberen. Misschien was de cliënt er nog niet aan toe of had hij iets anders voor ogen.

Op die manier krijgt het begrip ‘weerstand’ een andere invulling. Weerstand is voor een oplossingsgericht werker een duidelijk signaal dat wat wordt aangeboden niet zal werken voor deze cliënt. Weerstand betekent dat iemand op dat moment iets anders voor ogen heeft.

Beperking of probleem?

Een belangrijk inzicht uit het zogenaamde Brugs model, de Belgische variant van het oplossingsgericht werken, is het onderscheid tussen beperking en probleem.Le Fevere de Ten Hove, M. (2004), Korte therapie. Handleiding bij het Brugse model voor psychotherapie met toepassing op kinderen en jongeren, Antwerpen, Garant.

Een probleem is een moeilijkheid waarvoor er nu of in de nabije toekomst een oplossing kan gevonden worden. Een beperking is een moeilijkheid waarvoor nu of in de nabije toekomst geen oplossing kan gevonden worden.

De cliënt staat voor de uitdaging om zo goed mogelijk met de beperking om te gaan. Ook al kan aan de beperking zelf niet verholpen worden, toch kan men voor de gevolgen ervan vaak wel een oplossing vinden.

Soms slaat het woord beperking niet alleen op een bepaalde handicap, maar heeft het ook te maken met eerder gemaakte keuzes of gebeurtenissen uit het verleden. Deze beperken dan je keuzevrijheid.

Keuzemogelijkheden

Oplossingsgericht werken is et model van de keuze. Op het moment dat iemand een probleem ervaart, lijkt het alsof hij of zij geen andere keuze meer heeft dan voortleven met de moeilijkheid. De begeleiding heeft als doel om mensen weer keuzemogelijkheden te laten zien.

‘De cliënt is niet het slachtoffer van zijn probleem.’

Een probleem doet zich nooit altijd, zeven dagen op zeven, 24 uur op 24 voor. Er zijn altijd momenten waarbij het beter gaat. Wij zoeken naar die momenten: Wat deed je dan? Wie was er bij je? Waar was je? Hoe heb je het aangepakt?

Op die manier leert de cliënt dat hij niet het slachtoffer is van zijn probleem, maar altijd de keuze heeft om iets anders te doen, wat sowieso andere gevolgen heeft.

Ook voor mensen met autisme

Op een oplossingsgerichte manier werken met mensen met autisme is een hele uitdaging. Mensen met autisme hebben het immers moeilijk zich zaken voor te stellen. Zo is het voor hen niet evident om zich een beeld van een mogelijke toekomst te vormen. Dit betekent echter niet dat deze benadering niet werkt. Integendeel.

‘Zoeken naar wat wél werkt.’

Als we mensen met autisme benaderen vanuit een fundamentele oplossingsgerichte visie, dan zoeken we vooral naar wat wél werkt, ondanks of dankzij de mogelijke beperkingen die het autisme met zich meebrengt.

Elke persoon die in de hulpverlening terecht komt, heeft een vraag. De eerste stap die een begeleider kan zetten, is de stap naar het verduidelijken en het zo concreet mogelijk maken van die vraag.

Van vraag naar doel

Eens we zover zijn, proberen we die vraag om te zetten naar een doel. Wat zou je in de plaats willen? Waar wil je naartoe?

Zo worden er concrete doelen vooropgesteld. Doelen die al dan niet realistisch zijn. Het is aan de hulpverlener om die doelen zo realistisch mogelijk te maken. Maak hierbij gebruik van het onderscheid probleem-beperking.

Als iemand als doel heeft om een beperking te laten verdwijnen, dan is dit niet realistisch. Zo’n doel kan meer realistisch herkaderd worden als “een context creëren waarbij ik minder last heb van de gevolgen van het autisme.” Of nog “manieren of vaardigheden aanleren waardoor ik sommige dingen, die ik tot nog toe niet kon, wel zal kunnen.”

‘De cliënt blijft verantwoordelijk.’

De cliënt zal uiteindelijk zijn doel verwoorden op een manier die het meest aansluit op wat hij wil. De cliënt blijft op die manier altijd verantwoordelijk voor zijn proces. De hulpverlener ‘leads from behind’. Hij staat achter de persoon met een beperking en begeleidt hem in de richting van zijn doel.

Concreet en pragmatisch

Het oplossingsgericht werken besteedt veel aandacht aan het concrete en pragmatische. Hoe concreter een toekomstbeeld of een gewenste verandering wordt, hoe groter de kans dat het zich ook daadwerkelijk zal voltrekken. De manier waarop mensen met autisme denken sluit hier naadloos op aan.

Het formuleren van een doel veronderstelt voorstellingsvermogen. Hoe wil ik dat het wordt? Antwoorden op dit soort open vragen vinden de meeste mensen met autisme heel moeilijk.

Het is aan de hulpverlener om die open vraag op te delen in meerdere gesloten vragen: Wat wil je anders in je huishouden? Wat wil je anders over de middag op je werk?

‘Hoe concreter, hoe groter de kans op succes.’

Voor sommige mensen met autisme is het zelfs dan niet mogelijk om een antwoord te formuleren. Dan helpt het terug te keren naar het verleden. Denk eens aan een moment waarop het beter was? Wat deed je dan? Hoe was dat dan? Stel hierbij erg concrete vragen: Waar was je? Wie was er bij je? Wat deed je? Wat dacht je? Als we heel goed naar onze cliënten luisteren, kunnen we zelf ook suggesties geven over een eventuele wens.

Context betrekken

Een essentieel onderdeel in de begeleiding van mensen met autisme is het betrekken van personen uit de context. Sommige gevolgen van het autisme kunnen ze immers zelf niet aanpakken. Op dat moment is het nuttig om externe hulpbronnen aan te spreken.

Wie uit de omgeving kan helpen om het gemakkelijker te maken? Wat moet er aangepast worden? En hoe kunnen we dat doen?

‘De meesten kunnen zelf externe hulpbronnen inschakelen.’

De meeste mensen zijn perfect in staat om die externe hulpbronnen zelf in te schakelen. Soms is het nodig om het even over te nemen, met goedkeuring van de cliënt uiteraard.

Luisteren en beluisteren

De belangrijkste boodschap is en blijft: luister goed naar de mensen zelf. Ook al is er sprake van een ernstige, diep doordringende beperking, iedere persoon met autisme heeft een heel goed idee van wat hem kan helpen.

Hulpverleners kunnen alleen aandachtig luisteren, vanuit een positie van ‘niet-weten’. Alleen de persoon met autisme weet immers wat voor hem het beste werkt. Op die manier komen we tegemoet aan de grootste menselijke nood: het gevoel controle te hebben over de eigen situatie én het gevoel van sociale verbondenheid.

‘Een cadeau dat het verschil kan maken.’

Het gevoel van sociale verbondenheid verhoogt het gevoel van geluk bij ieder mens. Voor mensen met autisme is dat laatste een uitdaging. Door de andere manier van sociale interactie hebben ze vaak een gevoel van eenzaamheid.

Wie een echte hulpverleningsrelatie aangaat, waarbij je heel goed luistert, alle aandacht schenkt, complimenteert en communiceert op een manier die aansluit bij de autistische manier van communiceren, geeft je als hulpverlener je cliënt een groot cadeau. Een cadeau dat het verschil kan maken.

Source & credits: sociaal.net | Oplossingsgericht werken met autisme

Geef een reactie